Jan Roëde wordt in 1914 in Groningen geboren. Vanaf zijn vierde jaar groeit hij op in Den Haag, waar hij – afgezien van enkele periodes in het buitenland – tot aan het einde van zijn leven blijft wonen en werken. Hij volgt er een opleiding tot tekenleraar en daaropvolgend een tekenstudie en avondopleiding reclame schilderen aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten. Hij werkt een aantal jaren als reclame tekenaar, maar gooit in 1941 het roer om als collega kunstenaar Willem Hussem hem aanraadt te gaan schilderen. Van meet af aan zijn kleur en vorm de belangrijkste thema’s waarmee hij zich in zijn werk uitdrukt.
Als hij na de oorlog in Den Haag voor het eerst exposeert bij Kunsthandel Martinus Liernur wordt zijn werk opgemerkt door Willy Broers, de latere oprichter van Vrij Beelden en Creatie, die hem in 1946 uitnodigt deel te nemen aan de tentoonstelling 12 Schilders in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Tussen 1946-1948 verblijft Roëde afwisselend in Zweden en Frankrijk, waar hij succesvol is met enkele solotentoonstellingen. In Parijs ‘verfranst’ hij zijn naam tot Roëde om het de Fransen wat makkelijker te maken hem uit te spreken en na zijn terugkeer in Nederland besloot hij dit zo te houden. Roëde’s werk uit die tijd wordt beïnvloed door dat van Klee en Picasso en het abstract-surrealisme van Miró. Tijdens zijn verblijf in Parijs ontdekt Roëde ook het principe van het ‘omgekeerd kleurenperspectief' van de schilder Maurice Estève, een compositietechniek waarbij koele kleuren op de voorgrond worden gebruikt en warme kleuren op de achtergrond die Roëde in al zijn verdere werk zou blijven toepassen. Roëde, die onder meer inspiratie putte uit de boeddhistische Zen-filosofie, was een tamelijk onafhankelijke kunstenaar wiens werk enigszins in de richting van dat van Cobra neigde.Hoewel het enige verwantschap vertoonde met dat van de in 1948 opgerichte CoBrA groep zag hij ervan af zich bij deze groep aan te sluiten – hij kon zich niet vinden in het fanatieke idealisme van de kunstenaarsgroep.
Jan Roëde ontwikkelt zich tot een verrassende colorist met een heel eigen stijl. Op speelse wijze experimenteert hij met combinaties van abstracte achtergronden en figuren op de voorgrond in interieurs en landschappen. Zijn abstracte stijl die uit losse lijnen en vlakken bestaat, maakt in de loop der tijd plaats voor composities van aaneengesloten gekleurde vlakken. In de jaren 1950 vindt hij zijn definitieve stijl bestaande uit versimpelde mens- en dierfiguraties die hij in onrealistische, zeer dun geschilderde kleuren op het doek aanbrengt. Vanaf de tweede helft van de jaren 60 wordt zijn kleurgebruik feller en egaler. In die tijd ook wordt zijn werk steeds meer gewaardeerd, ook door critici, die zijn werk tijdens zijn eerste expositie bij Liernur afdeden als dat van een zesjarig kind. Tot aan het einde van zijn leven was Roëde lid van het Haagse Pulchri en in 1968 wijdde het Haags Gemeentemuseum een eerste overzichtstentoonstelling aan zijn werk.