Gerardine van de Sande Bakhuyzen groeit op in een artistiek gezin. Haar vader, de bekende landschapsschilder Hendrikus van de Sande Bakhuyzen, ontdekt al vroeg haar schilderstalent en neemt haar, samen met haar oudere broer Julius die zij in talent ruimschoots voorbij zal streven, onder zijn hoede in zijn atelier. Gerardine specialiseert zich in het schilderen van stillevens, het enige genre dat voor dames in die tijd als passend wordt beschouwd. In de 19e eeuw is maar weinig aandacht voor schilderessen ten opzichte van hun mannelijke collega’s en vaak worden zij slechts gezien als de echtgenote van een bekend schilder. Als een van de eerste schilders breekt zij met de traditie van het klassieke stilleven, de weelderige, sterk gearrangeerde bloemstillevens die zij in haar beginperiode nog gedetailleerd schildert. Ze zoekt naar ongedwongen composities, waarop alledaagse bloemen en vruchten op nonchalante wijze op marmeren plinten en later de bosgrond worden neergelegd. Haar schilderstijl wordt na 1870 steeds losser en meer impressionistisch en daarnaast wordt ze geroemd om haar harmonieuze kleurgebruik en bijzondere lichtinval. Niet alleen met haar schilderstijl en composities verricht zij baanbrekend werk, ook manifesteert ze zich als een zelfstandig en zakelijke vrouw. Ze bleef ongetrouwd en onderhandelde altijd zelf met haar opdrachtgevers, voor die tijd zeer ongebruikelijk. Van de Sande Bakhuizen neemt actief deel aan het Nederlandse kunstenaarsleven. Ze exposeert regelmatig op tentoonstellingen voor Levende Meesters en ze wint diverse prijzen. In 1861 krijgt ze een erelidmaatschap van de Koninklijke Academie in Amsterdam, in 1876 is ze medeoprichter van de Hollandsche Teekenmaatschappij en in 1879 sluit ze zich aan bij het kunstenaarsgenootschap Arti et Amicitiae. Op het toppunt van haar roem brengen haar schilderijen veel geld op.