Zoek op kunstenaar
Sluit

De mores en kunsten van het inkopen

Drie kleine verhalen over de jachtvelden van de kunst,
maar eerst:

De parabel van een pastoor, 2018

Met een kunst verzamelende bevriende pastoor die regelmatig onze kunsthandel met een bezoek vereert (wij komen alleen met Kerst in zijn kerk) heb ik altijd wel wat te bepraten. Aan anekdotes geen gebrek, waarvan ik er hieronder één beschrijf. Ik zei hem eens: ‘Ik word in de gaten gehouden op kijkdagen en ga dus liever buiten de kijkdagen om de schilderijen onderzoeken. Verder krijg ik soms een wildvreemde aan de telefoon met heel directe vragen wat ik van publiek aangeboden schilderijen vind, of ze echt zijn en over de reëel verwachte opbrengsten. Soms zijn het goedbedoelde vragen van aardige bekenden, maar vaak komen er ook impertinente verzoeken om mijn bevindingen over bepaalde stukken. Dat mag ik dan in het beste geval tegen taxatietarief uit de doeken doen. Een indirect inkoopadvies en … vrijwel kosteloos’.

Van de pastoor wist ik uit ervaring dat hij niet alleen goede beschouwingen kon geven maar dat hij ook een beetje bekend was met de kunstwereld en bovenal een echte mensenkenner is. ‘Wat doe je als een klant, op een tactische manier, mij antwoorden ontlokt die ik eigenlijk niet wil geven; je wilt de klant toch niet voor het hoofd stoten?’ De pastoor dacht even na en verzon ter plekke een prachtige, kleine parabel: ‘Frank, je moet het zo zien: jij hebt een tuin vol bijzondere gewassen, gekweekt met jouw eigen recepten. Nu komt er iemand die nieuwsgierig is naar hoe jij, na jaren geduld,  de kweekwijze van de planten hebt beschreven, en deze wil kopiëren voor eigen gebruik. En wat betreft die nieuwsgierige, die over jouw recepturen wil horen en ongevraagd je tuin binnenstapt, ja, wat mag je met zo iemand? Ik zou zeggen” –  met de veelbetekenende glimlach van een pastoor – “die mag je met een grote boog om de tuin leiden…’

De anekdotes over de inkoop behoren tot de leukste verhalen uit de kunstwereld. Het heeft ook wel wat weg van de jacht. Zoals het ook niet zonder gevaar is de jagers voor de voeten te lopen. Er is geen leerschool behalve de praktijk. Kenners worden door beginnelingen nauwlettend in de gaten gehouden. Toen ik in 1977 voor het de eerst de veilingen bezocht keek ik net zoveel achterom als vooruit en opzij. Wie kijkt er naar welk schilderij en wie biedt hoeveel. Wat gebeurt er allemaal? Ik wist nog te weinig van wat anderen wel wisten. Maar dat ging bij mij gelukkig snel. In 1984 haalde ik mijn examen als schilderijentaxateur en stopte met fiscaal recht, waar ik nog een klein jaar te gaan had. Het werd vol gas… in de kunst.

Sotheby’s, 30 jaar eerder

Het was 21 november 1988 dat ik op de kijkdag bij Sotheby geïmponeerd werd door een kloek paneel van Andreas Schelfhout, de grootmeester van het ijsgezicht. Een winter, te dateren rond 1825. Schatting fl. 60-80.000. Tot mijn verbazing vernam ik in de wandelgangen dat er aan de authenticiteit van het schilderij werd getwijfeld. Maar waarom? Het was een uitschieter uit Schelfhouts vroege tijd, een originele compositie en puntgaaf, waarom die twijfel? Sotheby’s veilingmeester Jan Pieter Glerum bracht het schilderij toch onder de hamer. Op de veilingmiddag, bij het opkomen van deze kavel, verschanste ik mij achter het schot achter in de zaal. Zou ik de enige zijn die zeker in zijn schoenen stond? De veiling van de Schelfhout begon en werd ingezet op 50.000 gulden. Ik bood meteen 52.000 en het viel stil. ‘Fifty two thousand guilders voor the gentleman in the back’; daarna herhaalde de veilingmeester enkele keren in het Nederlands. ‘Tweeënvijftigduizend, niemand meer?’ Ik keek even vanachter het schot naar de veilingmeester en vervolgens keek ik een alleraardigste kunsthandelaar, op latere leeftijd begonnen, op de achterste rij recht in de ogen. Het was een klant van ons, de toen 49-jarige Bernard Paulus van Pauwvliet. Hij keek even achterom wie er bood en talmde vervolgens niet. Zijn bordje ging omhoog, 54.000, en nu moest ik wel. Het werd een biedrally zoals ik hem zelf nog niet eerder had meegemaakt. Op 100.000 gulden werd de Schelfhout aan mij toegeslagen. Na de veiling feliciteerde Bernard mij met de mooie koop. ‘Ja, als jij dat schilderij goed vindt, dan durf ik ook wel te bieden’ zei hij. Niet alleen bezat ik toen een vroeg meesterwerk van Schelfhout, de les die ik leerde was nog belangrijker. Nooit meer zichtbaar bieden, laat staan op een schilderij waarover getwijfeld wordt, zo mogelijk anoniem blijven. Eén groot winstpunt: deze Schelfhout werd door zijn opbrengst volledig gerehabiliteerd. Mijn onderbieder nam ik niks kwalijk; die deed wat velen doen: haal je informatie ook bij de andere bieders, en vooral bij de professional. Geef je ogen de kost.

Bernard, mijn tegenbieder van toen, 32 jaar geleden, belde ik kortelings op of hij zich deze anekdote herinnerde en of hij het leuk vond om gelezen te worden. En dat vond hij.

Andreas Schelfhout | Figuren in een winterlandschap met links huizen, olieverf op paneel, 63,0 x 79,0 cm

Andreas Schelfhout

schilderij • voorheen te koop

Figuren in een winterlandschap met links huizen

Christie’s, 1991

De jacht op het onbekende mooie werk, het verborgen meesterwerk. Vuil geworden door het rook- en stookgedrag van de eigenaar en zomers in trek bij vliegen. Een goede vernis beschermt tegen elk rookgordijn of vliegenzwerm. Mijn schoonvader prees de restauratoren van vroeger die een veel dikkere vernislaag aanbrachten op de oude schilderijen dan de ateliers van nu. Maar de kunstliefhebbers van tegenwoordig willen zo weinig mogelijk glitter. Dus strijken of spuiten ook wij dunne vernislagen over de schilderijen.

Zo’n schilderij, met een vernislaag als een ijsbaan, hing bij Christie’s Amsterdam in 1991. Een Jan Zoetelief Tromp, kinderen bij een korenveld. In die tijd wisten wij ongeveer 4 van de 5 mooie werken die van deze schilder op de markt kwamen in te kopen. Soms voor een redelijk bedrag, maar vaak heel duur. Zoetelief Tromp was de grootste stijger in die jaren en de werken op de eerste tentoonstelling in het Museum Katwijk in 1991, waren voor een belangrijk deel afkomstig uit onze collectie of die van onze klanten.

Kunst en AntiekRevue

Kunst en AntiekRevue december/januari 1991

Op de kijkdag, een paar dagen voor de veiling van 29 oktober, was ik vroeg aanwezig. Ik kon dan rustig kijken zonder vragen van wie dan ook; het kijken ‘met koopogen’ vereist veel concentratie. Maar wat schetste mijn verbazing toen ik een paar minuten voor dat schilderij van Zoetelief stond?  Alsof uit het niets naast mij neergedaald, alsof hij mijn compagnon was, stond daar de particuliere verzamelaar en kno-arts Frank Rademakers, die in het jaar daarvoor drie werken van Zoetelief Tromp bij ons gekocht had. Hij had kennelijk al naar het schilderij gekeken en vroeg mij op de man af: ‘Frank (ik), wat vind jij van deze Zoetelief Tromp?’ In één adem antwoordde ik met een stalen gezicht ‘nou Frank, het is niet mijn Zoetelief Tromp’. ‘Oh, dank je Frank’, zei Frank, ‘dan weet ik genoeg’. En hij beende weg om naar andere schilderijen te kijken.

Op de veiling kocht ik telefonisch de Zoetelief Tromp, goedkoop en tegen de limiet. Er waren geen tegenbieders. De onaangeroerde staat van 80 jaar patine uit het huis waar hij altijd gehangen had  – rook van sigaren en van de openhaard – weerhield dit keer belangstellenden om een bod te doen. Ik kocht het schilderij voor iets meer dan de helft van de prijs die ik in mijn boekje als maximum biedprijs genoteerd had. Het doek werd door schoonvader in oude luister hersteld, met dunne vernis; Mariëtte bestelde een handgemaakte lijst. En ik plaatste het schilderij op de voorpagina van de Kersteditie 1991 van de Kunst- en Antiekrevue.

En wie belde vervolgens als eerste?  Zeer ontstemd: de verzamelaar Frank. ‘Wat maak je me nou? Jij raadde mij het schilderij af en koopt het gauw zelf’?. Woorden schoten hem even tekort. Maar het was een simpele case en ik antwoordde hem: ‘Jij bent kno-arts en ik ben kunsthandelaar. Daar zit het verschil.’

Jan Zoetelief Tromp | Bloemenkrans vlechten in het korenveld, olieverf op doek, 40,5 x 50,5 cm, gesigneerd r.o.

Jan Zoetelief Tromp

schilderij • voorheen te koop

Bloemenkrans vlechten in het korenveld

Mijn koopmanschap staat regelmatig op gespannen voet met de kunstvriendschappen met klanten. Eigenlijk hoort zo’n vraag op de kijkdag niet gesteld te worden; maar de mensen die dat doen bedoelen het meestal goed. Het is hun hobby. Soms denken ze me een plezier te doen mij als kunsthandelaar met vragen te betrekken in hun hobby. Men wil gewoon meer weten en bij de kenners krijg je de antwoorden. Verzamelaar Frank was nog niet tevreden met de uitleg. Ik vervolgde: ’Ik heb jou toch een correct antwoord gegeven?’ ‘Het is niet mijn schilderij’ was een waarheid als een koe. ‘Het was niet mijn schilderij daar bij Christie’s, maar nu wel…’. Misschien wel intuïtief gebruikte ik toen, 30 jaar geleden, de juiste woorden waar letterlijk niets mis mee is. De verzamelaar bewoog zich op het jachtveld van de kunsthandelaar. Dan moet zo’n schijnbeweging kunnen. De verzamelaar bood niet, wat precies mijn bedoeling was en ik koos met weinig woorden de juiste uitdrukking, die je letterlijk moest nemen.

Verzamelaar Frank was snel van begrip en in hetzelfde telefoongesprek draaide hij weer bij en kwam hij tot zijn overlijden, 6 jaar geleden, nog regelmatig bij ons in de kunsthandel. Gezellig bijpraten, ook over schilderijen. Ik heb dat zeer gewaardeerd in hem.

Zijn weduwe Annemiek Rademakers belde ik voor toestemming voor dit verhaal. Zonder frankering, over de mail. Zij vond het een mooi verhaal over de twee Franken.

Frank Buunk