Zoek op kunstenaar
Sluit

Mondriaan in het Rijksmuseum, Zwerfkei of sleutelwerk?

Mondriaan in het Rijksmuseum, Zwerfkei of sleutelwerk?

Bachelor thesis Universiteit Utrecht door I.J.M. Kraaijeveld, 2011

Mondriaan in het Rijksmuseum Zwerfkei of sleutelwerk? In het jaar 2005 werd er bij de kunsthandel Simonis en Buunk een tot voor kort nog onbekend landschap van Piet Mondriaan verkocht, de Oostzijdse molen aan het Gein bij maanlicht. Het werk werd door het Rijksmuseum aangekocht, die daarmee een ‘vreemdeling’ in huis haalde. Een zwerfkei, een kunstwerk dat binnen de bestaande collectie niet goed zou kunnen gaan functioneren. Centraal in deze paper staan de reis die het kunstwerk afgelegd heeft alvorens het door het Rijksmuseum werd aangekocht en de vragen die deze aankoop opwierp. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde: Een typering de kunstenaar en het kunstwerk, een beschrijving van wat er met de Oostzijdse molen gebeurde alvorens het aangekocht werd door het Rijksmuseum, de reden waarom dit werk door het Rijksmuseum werd aangekocht en discussie die volgde op deze aankoop. Piet Mondriaan en de Oostzijdse molen aan het Gein bij maanlicht Pieter Cornelis Mondriaan werd op 7 maart 1872 geboren in Amersfoort als de zoon van Pieter Cornelis Mondriaan senior en Johanna Christina de Kok. Zijn vader was hoofdonderwijzer aan de lagere school en had zijn tekenbevoegdheid gehaald. Mondriaan kreeg zijn eerste tekenlessen van zijn vader. Hij leek in de voetsporen van zijn vader te treden toen hij na het afronden van de lagere school een praktijkstudie voor tekendocent ging volgen. Hij gaf echter al snel te kennen dat hij kunstschilder wilde worden. Hij behaalde zijn aktes voor het lesgeven op lager en middelbaar onderwijs in 1892, waarna hij werd toegelaten tot de Rijksacademie in Amsterdam. Daar bekwaamde hij zich onder andere in tekenen en etsen. In 1898 en 1901 deed hij toelatingsexamen voor de Prix de Rome, waar hij beide keren voor zakte vanwege zijn geringe kennis van de menselijke anatomie. Mede hierdoor nam hij de beslissing om zich voortaan voornamelijk op het landschap te gaan richten. Wanneer hij in geldnood zat, wilde hij nog wel eens een portret of stilleven in opdracht schilderen.1 In de periode 1902-1904 woonde Mondriaan aan de zuidkant van Amsterdam. Van daaruit kon hij gemakkelijk de Watergraafsmeer, de toen nog onbebouwde polder aan het Gein bij Abcoude, per fiets bereiken.2 Dit landschap was een goede bron van inspiratie. Vooral de 1 M. Bax, ‘Introductie’ in: Mondriaan compleet, Blaricum/Alphen aan den Rijn 2001, pp. 8-9. 2 Van 6 mei 1903 tot 18 januari 1904 stond Mondriaan officieel ingeschreven bij de gemeente Amsterdam, hij woonde toen aan de Ringdijk 81. Zie ook: Oostzijdse molen oefende veel aantrekkingskracht op Mondriaan uit (afb. 1). Deze molen was het uitgangspunt voor ongeveer 15 composities die hij uitwerkte op doek. Voor de Oostzijdse molen aan het Gein bij maanlicht maakte hij gebruik van een donker palet waarin violetblauwe en groene tinten dominant zijn. De molen plaatste hij centraal, met de horizon boven het midden van het doek. De voorgrond wordt ingenomen door een wiel met begroeiing waarin de weerkaatsing van de molen te zien is. De maan is wordt deels verborgen door een wolk. Links van de molen staat een groep knotwilgen en rechts is een zomerhuis te zien. Opvallend zijn de verschillen tussen de detaillering van de wieken van de molen en de vaag gehouden voorgrond. Het geheel is geschilderd in een losse toets die impressionistisch aandoet (zie afb. 2). 3 J. Reynaerts en M. Tuijn, ‘Naturalisme als uitgangspunt. Piet Mondriaan, Oostzijdse molen bij maanlicht, Bulletin van het Rijksmuseum 54 (2005) nr. 3, p. 247-249. 3 Reynaerts en Tuijn 2005 (zie noot 2), pp. 247-248. Rijksmuseum: aanwinsten 2005 4 oktober 2010. Afbeelding 1: De Oostzijdse molen aan het Gein bij Abcoude Afbeelding 2: Piet Mondriaan, Oostzijdse molen aan het Gein bij maanlicht, 1902-1903, Rijksmuseum Amsterdam Mondriaan is beroemd geworden met zijn latere abstracte werk. Met zijn vroege figuratieve werk zou hij niet zoveel bekendheid hebben kunnen verwerven. Toch zijn ook de vroege kunstwerken interessant omdat men aan de hand daarvan Mondriaans ontwikkeling in de richting van abstracte kunst kan bestuderen. Dat kan geïllustreerd worden met behulp van de Oostzijdse molen. Mondriaan neemt in dit werk al afstand van een zuiver realistische weergave. Dat wordt duidelijk wanneer de situatie ter plekke wordt vergeleken met de weergave die Mondriaan van deze plaats gaf. Mondriaans weergave wijkt iets af van de werkelijkheid.4 Hoewel Mondriaan er dus voor koos om iets van zijn eigen interpretatie te laten zien, sluit zijn werk nog sterk aan bij de traditie van de Haagse School. Dat komt met name naar voren in het naturalistische onderwerp en het overwegend grijze palet.5 Voor de Oostzijdse molen liet Mondriaan zich waarschijnlijk inspireren door het werk In de maand juli (afb. 3) van Paul Gabriël, dat hij in het Rijksmuseum had gezien en bestudeerd.6 Oostzijdse molen aan het Gein bij maanlicht is niet gedateerd. Men gaat ervan uit dat Mondriaan het schilderde tijdens zijn verblijf bij de Watergraafsmeer, rond 1903. Daarmee zou het een van zijn vroegste avondlandschappen zijn.7 De reis: via Denemarken weer naar Nederland Wat er precies met het doek gebeurde nadat het voltooid was, is niet bekend. Pas in het jaar 2000 dook het weer op en werd het herkend als een Mondriaan. Toen werd duidelijk dat het bijna een eeuw in particulier bezit was geweest, namelijk bij de Deense familie Kallenbach 4 Mondriaan schilderde zeer waarschijnlijk vanaf de oever ten oosten van de molen en keek hij in de richting van Abcoude. Vanaf dit standpunt zijn het station en de kerktoren van Abcoude zichtbaar, maar die heeft Mondriaan niet geschilderd. Het lijkt er ook op dat hij de bocht van de rivier groter heeft gemaakt om de compositie te verlevendigen. Zie ook: Reynaerts en Tuijn 2005 (zie noot 2), p. 249. 5 Rijksmuseum: aanwinsten 2005 (zie noot 3). 6 Rijksmuseum: aanwinsten 2005 (zie noot 3). ‘Op de drempel van de 20e eeuw: Jan Toorop en Piet Mondriaan, in: Rijksmuseum Amsterdam. Jaarverslag 2005, Amsterdam 2005, p. 60-61. 7 E. Snellen e.a., Wintersalon 2004. 20e eeuw, uitgave bij tent. Ede (Kunsthandel Simonis & Buunk), Ede 2004, p. 4-5. Afbeelding 3: P.J.C. Gabriël, In de maand juli, 1888-1889, Rijksmuseum Amsterdam Pedersen-Sarau. Hoe het doek precies in het bezit van deze familie gekomen is, is onduidelijk. Het echtpaar Kallenbach Pedersen-Sarau trad in 1904 in het huwelijk. De familie beweerde dat het paar de Oostzijdse molen als huwelijksgeschenk kreeg, maar dat valt niet aan te tonen. Het zou het ook zo kunnen zijn dat het pasgetrouwde stel op huwelijksreis ging naar Nederland, zoals wel gebruikelijk was in Deense kunstminnende kringen aan het begin van de twintigste eeuw. Zij zouden het doek tijdens een tentoonstelling gekocht kunnen hebben of rechtstreeks van de kunstenaar zelf. Ook deze veronderstelling is niet met feiten te onderbouwen. Het feit dat het echtpaar Kallenbach Pedersen in 1904 in het huwelijk trad, maakt het aannemelijk dat het schilderij gemaakt zou zijn vóór 1904, dus in 1902 of 1903. 8 Het schilderij bleef door vererving drie generaties in de familie.9 Eind jaren ’90 wilde men het van de hand doen, maar er was niet veel belangstelling voor. In 2000 werd opnieuw een poging tot verkoop gedaan, waarbij het schilderij werd verkocht aan een particuliere verzamelaar. Na zijn overlijden in 2004 werd het werk bij het veilinghuis Bruun en Rasmussen te Kopenhagen opnieuw geveild en verkocht aan de Edese kunsthandel Simonis & Buunk.10 Zij brachten het werk naar Nederland. Van juli tot oktober 2004 was het te zien in het Mondriaanhuis in Amersfoort en vervolgens tijdens de Wintersalon van Simonis & Buunk. 11 In 2005 werd het werk aangekocht door het Rijksmuseum voor een bedrag van bijna vijf ton. Het doek werd verworven met steun van het Rijksmuseumfonds de BankGiro Loterij.12 Het Rijksmuseum werd bij haar aankoop geadviseerd door de Mondriaankenner Joop Joosten.13 De aanwinst was meteen te zien tijdens de tentoonstelling Dutch Windmills; 8 Reynaerts en Tuijn 2005 (zie noot 2), pp. 250-251. 9 Het doek is achtereenvolgens in bezit geweest van: Carl C. en Raghnild Kallenbach Pedersen-Sarau, 1904-1958 Geërfd door hun dochter Kirsten Nissen-Kallenbach Pedersen, 1958-1995 Geërfd door haar dochter Inge Pedersen-Nissen, 1995-1996 Geërfd door haar echtgenoot Otto Pedersen, 1996-2000 Vervolgens verbleef het schilderij in een particuliere collectie in Denemarken. Zie ook: Snellen 2004 (zie noot 7), p. 5. Reynaerts en Tuijn 2005 (zie noot 2), pp. 250-251. 10 Reynaerts en Tuijn 2005 (zie noot 2), pp. 250-251. 11 Snellen 2004 (zie noot 7), pp. 4-5. 12 Wat betreft de bedragen: Bij de veiling bij Bruun en Rasmussen in 2004 bracht het doek €174.000 op. Simonis & Buunk kocht het op voor zo’n €270.000 en verkocht het aan het Rijksmuseum voor €495.000. Frank Buunk had in 2000 al een bod op het schilderij gedaan, maar had toen te laag geboden. Zie ook: R. Rijghard en W. Wijndels, ‘Doek Mondriaan kostte vorig jaar maar twee ton’, NRC-Handelsblad/Toegang tot kunst 19 augustus 2005. Rijksmuseum: aanwinsten 2005 (zie noot 3). 13 Joop Joosten was ook degene die voor de kunsthandel Simonis & Buunk een echtheidsverklaring aflegde (op 15 september 2004) nadat zij de Oostzijdse molen aangekocht hadden. Joosten is een van de samenstellers van de Catalogue Raisonée van het werk van Mondriaan, die samengesteld werd in 1998. De Oostzijdse molen is daarin niet opgenomen, omdat het tot het begin van de 21e eeuw niet bekend was vanwege het verblijf in particulier Art and Industry in het Rijksmuseum Schiphol in de maanden augustus tot september. Daarna verdween het schilderij in depot, om nog eenmaal tevoorschijn te komen voor de reizende tentoonstelling over de Haagse School, die te zien was in 2008. In verband met de verbouwing van het Rijksmuseum kan het werk nog niet in het Rijksmuseum tentoongesteld worden en verblijft daardoor op dit moment in depot. 14 Oostzijdse molen in het Rijksmuseum Het lijkt vreemd dat het Rijksmuseum een schilderij van Mondriaan aankocht. De collectie Hollandse schilderkunst van het Rijksmuseum stopt min of meer bij de schilders van de Haagse School. Met de aankoop van de Oostzijdse molen leek men een kunstwerk in huis te hebben gehaald dat absoluut niet bij de collectie paste. Er bevond zich nog geen enkel twintigste-eeuws kunstwerk in bezit van het Rijksmuseum. Het bleek dat het Rijksmuseum een nieuwe ambitie na wilde streven. Met de aankoop van de Mondriaan zouden de eerste stap zijn gezet in de verwerving van een collectie twintigste-eeuwse schilderkunst. Het Rijksmuseum is het museum voor de Nederlandse kunst en geschiedenis en in die optiek mag de twintigste eeuw niet ontbreken. De geschiedenis loopt immers door tot op heden. Deze Mondriaan paste perfect bij die ambitie. Het werk sluit niet alleen goed aan bij de al bestaande collectie Haagse School, maar heeft ook een oerHollands thema. Daarnaast ontwikkelde Mondriaan zijn schilderstijl door het schilderen van molens, waardoor dit kunstwerk ook gezien kan worden als een symbool van de schilderkunst van een van de belangrijkste Nederlandse schilders uit de geschiedenis.15 bezit. De toeschrijving is gedaan aan de hand van de signering en de aantekening op de achterkant van het doek. In het geschreven advies op de achterzijde (‘Als het doek slap wordt moeten de spielatjes bij a even er uit en dan spieën aangeslagen worden’) werd het handschrift van Mondriaan herkend. Zie ook: Snellen 2004 (zie noot 7), p. 5. Reynaerts en Tuijn 2005 (zie noot 2), p. 250. 14Rijksmuseum: aanwinsten 2005 (zie noot 6). De Haagse School gaat op reis: 8 november 2010. 15 Rijksmuseum, Jaarverslag 2005 (zie noot 6), p. 63 Afbeelding 4, Jan Toorop, Portret van Marie Jeanette de Lange, 1900, Rijksmuseum Amsterdam Met de aankoop van de Mondriaan werden ook de plannen voor de opstelling van de twintigste eeuw in het Rijksmuseum van na de verbouwing opgesteld. In het Nieuwe Rijksmuseum komt de Oostzijdse molen te hangen in de eerste zaal voor twintigste-eeuwse kunst, die Nieuwe Kunst zal gaan heten. In deze zaal zullen andere kunstwerken uit de twintigste eeuw te zien zijn, zoals het eveneens in 2005 verworven Portret van Marie Jeanette de Lange van Jan Toorop (afb. 4). In het Nieuwe Rijksmuseum zal de kunst niet meer van de geschiedenis gescheiden zijn. De historische voorwerpen zullen tezamen met de kunstwerken tentoongesteld gaan worden. 16 De Oostzijdse molen zou in het Nieuwe Rijksmuseum een brugfunctie moeten gaan vervullen tussen de kunst van de Haagse School enerzijds en de nieuw aan te leggen collectie twintigste-eeuwse kunst anderzijds. Van een brugfunctie kon in 2005 nog geen sprake zijn omdat de twintigste eeuw in het Rijksmuseum slechts vertegenwoordigd werd door historische voorwerpen zoals het bureau van Willem Drees. Maar het Rijksmuseum toonde met latere aankopen dat ze haar ambitie serieus achtte. Zo werd er in 2008 het werk De vierkante man van Karel Appel aangekocht. In 2010 werden een witte stoel van Gerrit Rietveld en een schotelreliëf van Jan van Schoonhoven verworven (afb. 5 en 6). Met het verwerven van de collectie Diepraam-Kempadoo kreeg het Rijksmuseum eveneens een collectie twintigsteeeuwse fotografie. Andere aanwinsten waren schetsboeken en een zelfportret van Carel Willink in 2007. Het werk van Willink werd aangekocht met het oog op de verzameling Nederlandse kunst uit het Interbellum. Er is nog weinig samenhang te vinden tussen de twintigste-eeuwse kunstwerken die het Rijksmuseum tot nu toe verworven heeft.17 16 Dit betreft de plannen voor het Nieuwe Rijksmuseum zoals geformuleerd in het artikel Kunst alleen is niet genoeg (NRC Handelsblad 2005) door de toenmalige directeur Ronald de Leeuw. Het kan zijn dat de plannen inmiddels veranderd zijn vanwege de nieuwe aankopen en het aantreden van een nieuwe directeur. Zie ook: S. Heerma van Voss en R. Rijghard, ‘Kunst alleen is niet genoeg. Het Nieuwe Rijksmuseum volgens directeur Ronald de Leeuw’, in: NRC-Handelsblad 21 oktober 2005. Rijksmuseum, Jaarverslag 2005 (zie noot 6), p. 62-63. Reynaerts en Tuijn 2005 (zie noot 2), p. 262-263. 17 Het lijkt erop dat het Rijksmuseum de ambitie enigszins heeft bijgesteld door moderne kunst uit een bepaalde periode te gaan verzamelen. Het ‘Interbellum’ is al veel concreter dan ‘kunst van de twintigste eeuw’. Zie ook: W. van Zeil, ‘Rijks voegt Mondriaan toe aan schatkamer’, in: De Volkskrant 17 augustus 2005. Karel Appel – De vierkante man 10 november 2010. Zelfportret als profeet Johannes van Carel Willink 10 november 2010. Afbeelding 4. Karel Appel, De vierkante man, 1963, Rijksmuseum Amsterdam Discussie: twintigste-eeuwse kunst in het Rijksmuseum Toen bekend werd dat het Rijksmuseum een schilderij van Mondriaan aangekocht had, barstte er een discussie los. Kunstkenners en -critici waren van mening dat het museum er niet goed aan had gedaan om dit werk aan te kopen. Het verzamelen van moderne kunst is volgens hen niet de opdracht van het Rijksmuseum. Dat moet overgelaten worden aan de musea die zich bezighouden met het verzamelen moderne kunst zoals het Stedelijk Museum van Amsterdam en het Haags Gemeentemuseum.18 In het NRC-Handelsblad verscheen op 18 augustus 2005 een commentaar van Wim van Krimpen en Hans Janssen, respectievelijk de directeur en de conservator van het Haags Gemeentemuseum. Zij noemen de aankoop van het Rijksmuseum een raadsel. Volgens hen is wel een goed werk, maar zeker geen topstuk, zoals het Rijksmuseum beweerde. Met dit werk zou Mondriaan nooit zijn reputatie als een van de grootste schilders van de twintigste eeuw gevestigd kunnen hebben. Het Haags Gemeentemuseum heeft wel zeven vroege Mondriaans, die allemaal in kelder hangen. Twee daarvan zouden zelfs beter zijn dan het exemplaar van het Rijksmuseum. En al deze schilderijen zouden nooit de brugfunctie kunnen vervullen, zoals het Rijksmuseum dat zo graag wil. Ook de Oostzijdse molen kan dat niet. Doordat het werk zo dicht bij de Haagse School staat, kijkt het eerder terug dan vooruit. Daarmee zou het eerder een aanvulling zijn op de al bestaande collectie Haagse School van het Rijksmuseum. Het Haags Gemeentemuseum Schetsboeken Carel Willink naar Rijksmuseum 10 november 2010. Rijksmuseum verwerft topstukken 20e eeuw 10 november 2010. Rijksmuseum, Jaarverslag 2005 (zie noot 14), pp. 64-67. 18 Met name de opiniepagina van 23 augustus 2005 was een discussiepagina. Onder andere Jan Vaessen, Gerard Mensing en M. van Boven gaven hun mening over de moderne plannen van het Rijksmuseum. Afbeelding 5: Gerrit Rietveld, Leunstoel, 1918 (ontwerp), 1923 (uitvoering), Rijksmuseum Amsterdam Afbeelding 6: Jan Schoonhoven, Schotelreliëf, 1963, Rijksmuseum Amsterdam bood een van haar vroege Mondriaans aan het Rijksmuseum aan voor langdurige bruikleen.19 Het Rijksmuseum weigerde dit aanbod, maar kocht vervolgens wél de Oostzijdse molen, naar eigen zeggen omdat dit werk beter aansloot bij het thema van de zaal voor nieuwe kunst. De aangeboden Mondriaan was niet waar de specialisten naar op zoek waren.20 In reactie op het commentaar van Van Krimpen en Janssen, lieten verschillende kunstkenners op de opiniepagina’s van het NRC-Handelsblad hun mening horen. De discussie draaide uiteindelijk uit op de vraag of het Rijksmuseum zich nu wel of niet op het verzamelen van moderne kunst moest richten. Zelfs Frank Buunk, degene die Oostzijdse molen uit Denemarken aankocht, gaf zijn commentaar. Hij vond dat het Rijksmuseum een goede aankoop had gedaan met deze Mondriaan omdat het misschien zelfs wel beschouwd kan worden als een sleutelwerk binnen de landschapsschilderkunst van het begin van de twintigste eeuw.21 Vanwege de omvang van de op gang gekomen discussie, besloot de redactie van het NRC een aantal kunsthistorici aan het woord te laten in een reeks artikelen onder de titel ‘Suggesties voor het Nieuwe Rijksmuseum’. Een van hen is de kunstenaar en emeritus hoogleraar moderne kunst Carel Blotkamp. Blotkamp noemde de ambitie van het Rijksmuseum heilloos. Wanneer het Rijksmuseum een nationale schatkamer wil zijn en het beste van de schilderkunst en kunstnijverheid wil tonen en tegelijkertijd de geschiedenis wil integreren en tezamen met de kunst wil laten zien, brengt het zichzelf in een onmogelijke positie. Daarnaast komt het in aanraking met het territorium van het Amsterdams Historisch Museum en het Stedelijk Museum, die respectievelijk geschiedenis en moderne kunst tentoonstellen. De verbinding en tentoonstelling van de ideeën van nationale schatkamer en nationaal geheugen kan leiden tot teleurstellingen voor degenen die gekomen zijn voor de topstukken die het Rijksmuseum in bezit heeft. Wanneer de beslissing voor het verzamelen van Nederlandse kunstwerken uit de twintigste eeuw genomen wordt, is het Rijksmuseum aan zichzelf verplicht om een collectie te kunnen presenteren die qua breedte en diepte overeenkomt met 19 H. Janssen en W. van Krimpen, ‘Aankoop van Mondriaan is een raadsel. Rijksmuseum moet kunst van 20ste eeuw aan andere musea overlaten’, in: NRC-Handelsblad 18 augustus 2005. Het betreffende kunstwerk, een landschap met een molen van omstreeks 1907, heb ik niet terug kunnen vinden. 20 J.P. Sigmond, ‘Pikorde van musea frustreert aankopen. Nieuw Rijksmuseum wordt echt niet modern’, in: NRC-Handelsblad 23 augustus 2005. 21 F. Buunk, ‘Rijks deed met Mondriaan puike aankoop’, in: NRC-Handelsblad 23 augustus 2005. Buunk ziet een expressionisme in dit werk dat hij bij geen enkele landschapschilder van rond 1900 had gezien. Dat maakt het werk voor hem bijzonder. Deze opmerking is echter niet onpartijdig, omdat Buunk het doek aan het Rijksmuseum verkocht had. Ronald de Leeuw is het niet met hem eens. Hij zegt dat het schilderij absoluut geen sleutelwerk is, maar dat het Rijksmuseum het aangekocht heeft omdat het goed past bij de zaal voor de nieuwe kunst in het Nieuwe Rijksmuseum. Zie ook: Heerma van Voss en Rijghard 2005 (zie noot 16). de collecties van vroegere eeuwen. Wat betreft de twintigste eeuw heeft het museum te kampen met de problemen van onvoldoende financiële middelen en de geringe beschikbaarheid van kunstwerken. Vrijwel alle kunstwerken van kunstenaars van naam zijn opgenomen in vaste collecties. Wat nu nog op de markt komt, is vaak van minder goede kwaliteit maar moet alsnog een groot bedrag opbrengen omdat er een naamkaartje aanhangt. Verder heeft de kunst van de twintigste eeuw veel meer verschijningsvormen dan de kunst uit de eeuwen daarvoor. Naast schilderkunst en beeldhouwkunst is er ook video- en installatiekunst en fotografie. De kunstwerken van de twintigste eeuw zijn tevens moeilijk in samenhang te brengen met de geschiedenis van de periode waarin ze ontstaan zijn. Bovendien zijn twintigste-eeuwse kunstwerken beter op hun plaats in musea waar ze geplaatst zijn binnen een internationale context of waar meer werk van dezelfde kunstenaar verzameld is. Veel twintigste-eeuwse kunstwerken kunnen moeilijk op zichzelf gezien worden.22 Het is denkbaar dat het Rijksmuseum over een aantal jaar af moet zien van deze ambitie omdat het onuitvoerbaar blijkt te zijn. En dat zal niet de eerste keer zijn. In de jaren ’20 wilde het Rijksmuseum een internationale kunstcollectie aanleggen, maar dat is niet gelukt. De kunstwerken die met deze achterliggende gedachte aangekocht zijn, zoals een portret van Goya, komen in de collectie van het Rijksmuseum niet tot hun recht, terwijl het topstukken zijn.23 Dat gevaar dreigt ook voor de Oostzijdse molen, wanneer er geen collectie twintigsteeeuwse Nederlandse kunst in het Rijksmuseum komt. Ronald de Leeuw, de directeur onder wie de Oostzijdse molen is aangekocht en de initiatiefnemer voor de aanleg van de collectie twintigste-eeuwse Nederlandse kunst, is ervan overtuigd dat het wel gaat lukken. Hij zei in een interview met het NRC-Handelsblad dat hij erop rekende dat de collectie twintigsteeeuwse kunst aangevuld kan worden met legaten. Hij verwachtte ook bruiklenen aangeboden te zullen krijgen, omdat het Rijksmuseum de grootste bruikleengever van Nederland is. Als het aan hem ligt, zal de collectie twintigste-eeuwse Nederlandse kunst in het Rijksmuseum er zeker komen. De collectie van de negentiende eeuw is ook pas in de twintigste eeuw tot stand gekomen.24 22 C. Blotkamp, ‘Een onmogelijke spagaat. Suggesties voor het Nieuwe Rijksmuseum.’, in: NRC-Handelsblad 9 september 2005. P. Hecht, 125 jaar openbaar kunstbezit met steun van de Vereniging Rembrandt, Zwolle 2008, p. 170. G. van der Ham, 200 jaar Rijksmuseum, Amsterdam 2000, pp. 259-260. 23 Hecht 2008 (zie noot 22), pp. 69, 72. 24 Heerma van Voss en Rijghard 2005 (zie noot 16). Sigmond 2005 (zie noot 20). De kwestie van het geweigerde bruikleen van het Gemeentemuseum zou dus eenmalig geweest moeten zijn. Ook de directeur van de collecties van het Rijksmuseum, de heer J.P. Sigmond, zegt dat men graag andere gratis bruiklenen zal accepteren. Alleen dit bruikleen werd na grondig overleg afgewezen. Besluit Het Rijksmuseum wil zich in de toekomst dus meer en meer gaan richten op het aanleggen van een collectie twintigste-eeuwse kunst. Volgens critici is dat niet mogelijk omdat het Rijksmuseum daar te laat mee is. Wat nu nog op de markt komt is van onvoldoende kwaliteit en moet te veel geld opbrengen. Het verzamelen en tentoonstellen van twintigste-eeuwse kunst kan beter overgelaten worden aan musea die daar al veel langer mee bezig zijn. De Oostzijdse Molen aan het Gein bij maanlicht van Piet Mondriaan vormt dan misschien geen sleutelwerk binnen vroege twintigste-eeuwse landschapsschilderkunst, het is wel een sleutelwerk in de ambitie van het Rijksmuseum. Met de aankoop van de Oostzijdse molen voegde het Rijksmuseum het eerste moderne werk aan haar collectie toe. Het zal nog moeten blijken of het Rijksmuseum die moderne ambitie ook waar kan maken. Misschien moet de initiatiefnemers het voordeel van de twijfel worden gegund. De vraag is wat er gaat gebeuren met de Oostzijdse molen wanneer zal blijken dat het Rijksmuseum haar ambitie toch niet zal kunnen waarmaken. Er is op dit moment geen enkel museum dat behoefte heeft aan nog een vroege Mondriaan. Er zijn er al genoeg in Nederlands openbaar kunstbezit. Zal het schilderij, dat als zwerfkei binnen een collectie begon, uiteindelijk weer als zwerfkei eindigen? Sigmond maakt tevens een interessante opmerking over het commentaar van de heren Janssen en Van Krimpen: ‘Het lijkt er op dat hun reactie vooral is ingegeven door hun mening dat het Rijksmuseum zich niet op het vlak van de moderne kunst moet begeven, omdat dat het terrein van de moderne kunstmusea is. Geen angst echter. Het nieuwe Rijksmuseum zal geen moderne-kunstmuseum worden. Wel zullen wij op een geheel eigen en nieuwe manier aandacht gaan besteden aan de kunst en geschiedenis van de 20ste eeuw, op een bij het nationale museum van Nederland behorend niveau.’ Het is dan echter de vraag wat het Rijksmuseum in werkelijkheid aan het doen is. Wanneer een museum zich gaat richten op het in huis halen van moderne kunst, begeeft het zich op het terrein van moderne kunst? Het is opmerkelijk dat De Leeuw zijn collega Sigmond tegen lijkt te spreken in het interview dat op 21 oktober in het NRC-Handelsblad verscheen. De Leeuw laat duidelijk naar voren komen dat hij moderne kunst voor het Rijksmuseum wil verzamelen. Het samenstellen van een collectie uit legaten lijkt een goed idee, maar het zal in de toekomst moeten blijken of datgene wat in particulier bezit is, ook goed genoeg is voor het Rijksmuseum. En het zal ook moeten blijken of de bezitters wel bereid zijn om hun kunstwerken aan het Rijksmuseum af te staan. De Leeuw vermeldt dat er verzamelaars zijn die enthousiast zijn over dit idee, maar wie weet hoe lang het nog kan duren voor hun verzameling uiteindelijk bij het Rijksmuseum terecht komt. En dan zal nog niet elke verzamelaar het Rijksmuseum in zijn testament gedenken. Bibliografie Bax, M., ‘Introductie’ in: Mondriaan compleet, Blaricum/Alphen aan den Rijn 2001. Blotkamp, C., ‘Een onmogelijke spagaat. Suggesties voor het Nieuwe Rijksmuseum.’, in: NRC-Handelsblad 9 september 2005. Buunk, F., ‘Rijks deed met Mondriaan puike aankoop’, in: NRC-Handelsblad 23 augustus 2005. Van der Ham, G., 200 jaar Rijksmuseum, Amsterdam 2000. Hecht, P., 125 jaar openbaar kunstbezit met steun van de Vereniging Rembrandt, Zwolle 2008. Heerma van Voss, S. en R. Rijghard, ‘Kunst alleen is niet genoeg. Het Nieuwe Rijksmuseum volgens directeur Ronald de Leeuw’, in: NRC-Handelsblad 21 oktober 2005. Janssen, H. en W. van Krimpen, ‘Aankoop van Mondriaan is een raadsel. Rijksmuseum moet kunst van 20ste eeuw aan andere musea overlaten’, in: NRC-Handelsblad 18 augustus 2005. Reynaerts, J. en M. Tuijn, ‘Naturalisme als uitgangspunt. Piet Mondriaan, Oostzijdse molen bij maanlicht, Bulletin van het Rijksmuseum 54 (2005) nr. 3. Rijghard, R. en W. Wijndels, ‘Doek Mondriaan kostte vorig jaar maar twee ton’, NRCHandelsblad/Toegang tot kunst 19 augustus 2005. Snellen, E. e.a., Wintersalon 2004. 20e eeuw, uitgave bij tent. Ede (Kunsthandel Simonis & Buunk), Ede 2004. Sigmond, J.P., ‘Pikorde van musea frustreert aankopen. Nieuw Rijksmuseum wordt echt niet modern’, in: NRC-Handelsblad 23 augustus 2005. Van Zeil, W., ‘Rijks voegt Mondriaan toe aan schatkamer’, in: De Volkskrant 17 augustus 2005. Internet www.rijksmuseum.nl Illustratieverantwoording Afbeelding 1: www.wikipedia.nl Afbeelding 2-6: www.rijksmuseum.nl